Rapport drugscriminaliteit is meer politiek dan wetenschap

19 11 2008
tomdecorte

Tom Decorte - professor criminologie

Tom Decorte, een van de sprekers op het Cannabis Tribunaal en professor criminologie, Instituut voor Sociaal Drugsonderzoek aan de UGent, betwijfelt de wetenschappelijkheid van het rapport Fijnaut-De Ruyver.

Het coffeeshopbeleid is aan een grondige herziening toe.’ Dat stelden hoogleraar Cyrille Fijnaut van de universiteit Tilburg en zijn Gentse collega Brice De Ruyver – tevens voormalig veiligheidsadviseur van premier Verhofstadt – afgelopen week bij de presentatie van hun langverwachte rapport over de grensoverschrijdende drugsgerelateerde criminaliteit in de Euregio Maas-Rijn. Tom Decorte fronst de wenkbrauwen: ‘De auteurs voeden de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen.’Een nieuwe narcoticabrigade oprichten, meer agenten in de Euregio Maas-Rijn, een actieplan voor parket en politie, méér politionele bevoegdheden, een betere juridische samenwerking, en een vermindering van het aantal coffeeshops in Nederland. De (niet geheel onbevooroordeelde) hoogleraren pleiten zonder meer voor meer repressie. Dat is een vreemde bocht voor een wetenschapper, als je de jaren voordien als veiligheidsadviseur van de Belgische overheid een architect van het gedoogbeleid bent geweest. Maar met wetenschappelijke inzichten in de mechanismen die de cannabismarkt heden ten dage drijven, gestoeld op empirisch onderbouwde argumenten, heeft dit rapport niks van doen. Over de symptomen zijn we het eens: het coffeeshopmodel staat onder druk: de coffeeshops zijn te groot geworden, de drugstoeristen veroorzaken overlast en trekken illegale drugsrunners aan, aan de achterdeur van de coffeeshops opereren professionele criminele netwerken.

Empirische studies in België en Nederland hebben onderhand aangegeven wat daarvan de echte oorzaken zijn. Voor Nederland: de reductie van het aantal coffeeshops (waardoor de resterende cannabiswinkels steeds groter worden), de laksheid van de Nederlandse overheid in het regelen van de achterdeur, en de repressieve aanpak van de cannabisteelt. Die laatste strategie heeft de kleinere, idealistische telers wel afgeschrokken maar de winstbeluste louche figuren juist aangetrokken. Voor België: het installeren van een halfslachtig – en lange tijd onduidelijk – gedoogbeleid, en de harde aanpak van de dealpanden. De onuitgesproken boodschap naar de cannabisconsument: ga je spul maar in Nederland halen. En voor beide landen: de illegaliteit van het product is sowieso de belangrijkste motor van de cannabiseconomie geweest.

Deze wetenschappelijke argumenten, die vaak een oorzakelijk verband suggereren tussen de kenmerken van de cannabismarkt en het bestrijdingsbeleid zélf, worden in het rapport Fijnaut-De Ruyver niet genoemd, laat staan oordeelkundig weerlegd. In de plaats daarvan voeden de auteurs de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen. De discussie over alternatieve vormen van regulering wordt gesmoord met oneliners (de verdragen staan het niet toe, en er is geen draagvlak) die beter in de mond van een politicus passen, dan in die van een wetenschapper.

De maatregelen die beide hoogleraren voorstaan, zullen geen enkele Belg of Nederlander minder doen blowen. Ze zullen wel leiden tot meer illegale bevoorradingskanalen (waar ook andere producten makkelijk te verkrijgen zijn) en nog meer louche spelers op de cannabismarkt. Daarmee wordt de overlast wel gespreid, niet gereduceerd. En de volksgezondheid betaalt het gelag. De softdrugsmarkt, en daarmee ook de kwaliteit, de sterkte en de prijs van het product, zal nog onbeheersbaarder blijken te zijn. Het blijft dweilen met de kraan open, tenzij de impliciete bedoeling is om meer werkgelegenheid te creëren voor politie- en justitiedienders. Overigens: waarom ontbreekt bij de voorstellen van Fijnaut en De Ruyver een schatting van de kosten van de voorgestelde maatregelen? En kunnen zij hun strategieën vertalen in objectief meetbare effecten (in termen van overlastreductie, reductie van cannabisgerelateerde criminaliteit en positieve effecten voor de volksgezondheid)? Want alleen dan kunnen onafhankelijke wetenschapslui in de toekomst het voorgestelde beleid op zijn legitimiteit evalueren.

Bron: demorgen.be


Acties

Information

2 responses

29 10 2009
Christoph B.

Ik vind dat cannabis en hasj ,legaal zou moeten worden . Daarna belasten en zo heb je meer geld voor begroting!!!

5 09 2011
Simon

Grappig dat je in het 3de jaar criminologie aan de UGent van Decorte en van De Ruyver les krijgt voor het vak drugsfenomenen… Ik sta sowieso achter de conclusie van professor Decorte. Kijk naar de geschiedenis: prohabition in de jaren 30, de regie wetgeving van de nederlandse regering voor de 2e wereldoorlog, de drugsgerelateerde moorden in mexico enzovoort enzoverder: ze wijzen er allemaal op dat drugs reguleren beter is voor het algemeen welzijn dan het te onderdrukken. Laat ons hopen dat de politici ooit het draagvlak er voor vinden en iets durven doen dat echte politieke moed vraagt.

Groeten, 2e jaars criminologie student UGent

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s




%d bloggers op de volgende wijze: